Twee hot pensioenissues: voorwaardelijk pensioen en indexatie

Beide zaken spelen ‘opeens’ op. Nou ja opeens, indexatiediscussies spelen natuurlijk al wel langer. Wat is er aan de hand?

Voorwaardelijk pensioen
Bij de afschaffing van de VUT (en prepensioen, alsmede introductie van de te vroeg afgeschafte levensloopregeling) in 2005 zijn er voorwaardelijke pensioenrechten toegekend. Dit ter compensatie voor werknemers die wel jaren voor VUT hadden betaald, maar daar zelf geen recht meer op konden krijgen. Zij kregen een voorwaardelijk pensioen, uit te keren mits op (vervroegde) pensioendatum nog deelnemer aan de regeling. In de toezegging wordt bepaald of de aanspraken tussentijds worden gefinancierd of pas op het moment van toekenning. En daar zit de crux. Bij ontslag, maar ook bij overgang van onderneming ‘verdwijnen’ deze voorwaardelijke pensioenrechten. Uiterlijk per 2023 moeten alle voorwaardelijke rechten daadwerkelijk gefinancierd en dus ingekocht worden bij de uitvoerder.

In de praktijk blijken niet alleen werknemers onvoldoende op de hoogte, maar ook koper en verkoper. Hoewel o.a. FNV hoog in het vaandel heeft staan dat de voorwaardelijk pensioen bij verval gecompenseerd moet worden, gebeurt dat vaak juist niet.

Ook de oude werkgever heeft de zorgplicht hierop te wijzen, zelfs bij (vrijwillig) ontslag.

VUT was ‘vut’, dat was – nou ja, behoorde – algemeen bekend te zijn. Voorwaardelijk pensioen ‘lijkt’ er echt zijn, maar dat is niet altijd het geval.

Indexatie
Ook bij de overdracht van pensioenrechten van met name een pensioenfonds naar een verzekeraar gaat het vaak mis met de nieuwe indexatie. Een pensioenfonds kent immers (nagenoeg uitsluitend) een voorwaardelijke indexatie (afhankelijk van dekkingsgraad, rendement en inflatie), een verzekeraar kent eigenlijk alleen een vaste indexatie. De overdracht naar een andere uitvoerder betekent niet dat de pensioenovereenkomst wordt aangepast. Regelmatig verandert echter toch de indexatie(-uitvoering) zonder dat de pensioenovereenkomst is aangepast. Nu er – vooral bij ondernemingspensioenfondsen – vaak al weer wordt geïndexeerd, kan en wordt eenvoudig een vergelijk gemaakt met de indexatie (als die er al is) door de verzekeraar. Vaak is deze laatste lager (of geheel afwezig). En zie, de discussie is ontstaan.

Het primaire uitgangspunt is uiteraard de (oorspronkelijke) pensioenovereenkomst. Deze moet worden nagekomen, wie hem ook uitvoert. En moet het verschil in het nadeel van de werknemer door de werkgever bijgepast (of anderszins gecompenseerd) worden Bij een ‘voordeel’ voor de werknemer ‘piept’ natuurlijk niemand.

Zeker bij ‘overgang van onderneming’ (management buy out of aandelentransactie) speelt het ‘nog’ vaker. Onlangs nog bij de overgang naar een nieuw opgerichte BV, zonder werknemers en dus zonder een bestaande pensioenovereenkomst. De ‘oude’ pensioenovereenkomst van de verkoper is dan leading en bepalend.

Maar ook bij overgang gevolgd door (vrijwillige) aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds speelt het, met name omdat vooral Bpf-en gezien hun (lage) dekkingsgraad nog lang niet kunnen indexeren.

Conclusie
Nu de vergrijzing echt begint en werknemers met pensioen gaan, zeker die te maken hebben gehad met ooit een opbouw in een inmiddels geliquideerd ondernemingspensioenfonds, moet goed gelet worden op voorwaardelijk pensioenrechten én indexatie. Wees dus kritisch en bij twijfel… hoor ik het graag!

Pensioen-Echtscheiding

Dit is een column van mr. Theo Gommer MPLA. Oprichter van en pensioenadvocaat bij Gommer & Partners Pensioen Advocaten.
En al 15 jaar trotse partner van Balieplus.

Mr. J.T. Gommer MPLA CCFP, theogommer@gommeradvocaten.nl

Gommer & Partners Pensioen Advocaten